Gevaren van democratie

Heden ten dage wordt in de westerse wereld democratie beschouwd als een van de grootste verworvenheden. Iedereen wordt geacht een democratische gezindheid te hebben. Geloven in democratie is een vereiste attitude en diegene die twijfelt aan de absoluutheid ervan laat al snel de verdenking op zich totalitaire sympathieën te hebben. Over de nadelen van democratie wordt zelden gesproken. Wel over de gevaren van een dictatuur, die inderdaad evident zijn. Dictaturen, verspreid over de continenten, laten inderdaad een ontluisterend beeld zien; (mensen)rechten worden met voeten vertrapt, enkelingen worden begunstigd ten koste van de meesten en machtsbehoud is het voornaamste doel. Maar is daarmee het democratisch alternatief een volmaakt systeem? In westerse democratieën is het heden ten dage zo dat iedereen vanaf 18 jaar mag stemmen. Daarmee wordt geen onderscheid gemaakt naar ras, geslacht of opleidingsniveau. Iedereen heeft een gelijke stem en iedereen mag mee beslissen over de toekomst van het land. Dat heeft zo z’n nadelen. We noemen er een paar.

De kiezer moet zich, voordat hij in het stemhokje een partij aankruist, een mening vormen over tal van onderwerpen waar hij of zij weinig of zelfs niets van weet. De onderwerpen die in de politiek aan de orde zijn, zijn vaak buitengewoon ingewikkeld en de kiezer kan onmogelijk een verstandige inschatting maken wat de implicaties zijn van besluiten op een veelheid van terreinen. Er is een grote mate van deskundigheid voor nodig om tot een juist oordeel te komen. Men neme bijvoorbeeld de aankoop van een nieuwe straaljager, de opvolger van de huidige F-16. Militaire, strategische, financieel-economische, internationale en commerciële belangen spelen hierbij een rol, en een keuze voor welk vliegtuig dan ook heeft gevolgen voor de komende decennia. Er is nauwelijks een burger te vinden die hier het overzicht over heeft. Zelfs Kamerleden die zelf niet betrokken zijn op een bepaald dossier zullen soms moeten afgaan op de informatie die het collega-Kamerlid, die het dossier onder zijn beheer heeft, verstrekt, en die informatie zal een samenvattend karakter hebben. Ook journalisten, die wel proberen mee te kijken over de schouders van politici, hebben lang niet altijd de gedetailleerde kennis en ruimte om de burger grondig te informeren. Kortom, de kiezer heeft doorgaans een groot gebrek aan kennis over de onderwerpen die aan de orde zijn. De grote Britse staatsman Winston Churchill, die beslist een democraat was, verwoordde het ooit zo: ‘The best argument against democracy is a five-minute conversation with the average voter’.

Het gebrek aan kennis bij de kiezer wordt des te bezwaarlijker bij een (correctief) referendum. In dat geval gaat de op afstand staande burger rechtstreeks zijn keuze bepalen over onderwerpen waar deze weinig of geen verstand van heeft. Gezien het aantal wetsvoorstellen dat in het parlement in behandeling wordt genomen is het onmogelijk voor al die zaken een referendum uit te schrijven. Ook als slechts een referendum wordt uitgeschreven wanneer de burger erom vraagt middels een petitie met minimaal zoveel duizend handtekeningen zal de burger zich plots moeten gaan verdiepen in lastige materie die hij zich in zijn vrije tijd moet zien eigen maken.

In een democratie moet beleid ‘verkocht’ worden aan de kiezer. Politici stellen de werkelijkheid vaak mooier voor dan die is. Politieke partijen stellen tegen verkiezingstijd een partijprogramma op om de kiezer te informeren waar de partij zoal voor staat, maar weinigen lezen die. Verkiezingsdebatten op tv hebben weinig diepgang en dienen vooral om de politieke tegenstander in een hoek te drijven. Schaduwkanten van de politieke werkelijkheid, zoals noodzakelijke belastingverhoging of een versobering van de hypotheekrenteaftrek (om waar wat te noemen) zullen in zo’n debat worden gemeden. De kiezer moet gepaaid worden met mooie woorden en veelbelovende vergezichten, die nogal eens ver af staan van de latere werkelijkheid, nog afgezien van de concessies die gedaan moeten worden richting coalitiepartner bij een gebrek aan een absolute meerderheid. In de beeldcultuur van vandaag speelt het uiterlijk van een (kandidaat)politicus een grote rol. Ter verdediging van democratische politici die vooral de zonnige kant van hun beleid voor het voetlicht brengen, kan aangevoerd worden dat zij te maken hebben met een deel van het electoraat dat geen begrip heeft voor impopulaire maar noodzakelijke maatregelen. In die zin zijn kiezers  zelf verantwoordelijk voor het democratisch systeem met al zijn gebreken, en krijgen de kiezers de regering die ze verdienen.

Er kan een kandidaat worden gekozen die totaal ongeschikt, of zelfs gevaarlijk is. Mussolini, een openlijke antidemocraat, werd gekozen als parlementslid. Ook Adolf Hitler werd destijds gekozen in de Duitse Bondsdag. Toegegeven, dit zijn extreme voorbeelden en de kiezers hadden mogelijk weinig benul van de ware intenties van deze lieden, maar hen werd wel op democratische wijze een podium verschaft en na Hitlers staatsgreep was er in Duitsland bar weinig oppositie. Ook recenter zijn er gekozen politici die wel deskundig zijn in het aanboren van gevoelens van onvrede maar geen deskundigheid aan de dag leggen ten aanzien van het oplossen van problemen. Het presidentschap van de narcistische Donald Trump van de VS wordt gekenmerkt door tegenstrijdige uitspraken en onbehouwen gedrag in de vorm van schelden en verwijten. De mate van zijn respect voor feiten is omgekeerd evenredig aan zijn eigendunk en een gebrek aan beleidssamenhang doet vermoeden dat deze machtige man de competenties mist die nodig zijn voor dit hoge ambt.

In een moderne democratie mag iedereen zonder onderscheid vanaf een in de wet vastgelegde leeftijd stemmen, meestal vanaf 18 jaar. Lang niet iedereen heeft op die leeftijd het vermogen belijnd te denken en/of te onderscheiden. Wat bij het eerder genoemde referendum in nog sterkere mate geldt, geldt ook voor jeugdigen; met (nog) weinig kennis en levenservaring is het lastig om een afgewogen beslissing te nemen in het stemhokje.

Ook mensen die onverschilligheid aan de dag leggen ten aanzien van de maatschappij door deze zelfs (ernstige) schade toebrengen hebben stemrecht. Te denken valt aan fraudeurs of mensen die anderen ernstig lichamelijk en/of psychisch letsel toebrengen. Dit nadeel van democratie is redelijk eenvoudig op te lossen door de wet zo aan te passen dat het mogelijk wordt burgers van deelname aan verkiezingen uit te sluiten, maar daar is momenteel weinig animo voor en dat is jammer, want het recht om te stemmen zou weer een vóórrecht moeten zijn, iets wat men kan verliezen bij onbehoorlijk gedrag. Want waarom zou de koers van een land mede bepaald moeten worden door criminelen en medemensverachters?

Het is goed om zich bewust te zijn van de nadelen van democratie. Een democratisch systeem an sich is nog niet de oplossing voor problemen. Maar een alternatief is zomaar niet gevonden. Churchill zei eens: democratie is de slechtste regeringsvorm die er is, op alle andere vormen na die al geprobeerd zijn. Door zich bewust te zijn van de beperkingen van democratie kan er op geanticipeerd worden. Een goede grondwet bijvoorbeeld moet de belangrijkste rechten verankeren, een grondwet die niet door de waan van de dag gemakkelijk te veranderen is. In die zin biedt een goede democratisch tot stand gekomen grondwet behalve vrijheden ook bescherming tegen democratische willekeur. Want democratie kan zomaar veranderen in tirannie.

Loyaliteit in Europa

Momenteel raast de corona-orkaan over de wereld met alle gevolgen van dien, humanitair en economisch. In rijke westerse democratieën kan redelijk nauwkeurig worden vastgesteld hoeveel mensen aan dit virus bezwijken. Voor arme landen zal wellicht nooit helemaal duidelijk worden hoeveel slachtoffers er vallen, maar te vrezen is dat het er veel zullen zijn. Voor wat betreft de economische gevolgen kan nu al worden vastgesteld dat die enorm zijn. Wat het coronavirus ook laat zien is waar ieders loyaliteit ligt.

De dramatische ontwikkelingen op de overbelaste ic’s in de Italiaanse regio Lombardije was voor Italiaanse politici reden om uit te halen naar de noordelijke Europese staten die te weinig solidariteit toonden wegens het achterhouden van noodzakelijke financiële middelen. Italië moet in hun ogen in staat worden gesteld gegarandeerde en dus goedkopere leningen aan te gaan teneinde het coronavirus het hoofd te bieden. Vandaar de roep om de eurobonds. In werkelijkheid worden hier twee zaken door elkaar gehaald. Enerzijds het coronavirus, dat inderdaad desastreuze gevolgen heeft voor welke economie dan ook en dus ook voor de Italiaanse, en anderzijds de penibele financiële situatie van Italië wegens de jarenlange forse begrotingstekorten, die er onder meer toe geleid hebben dat Italië een enorme staatsschuld heeft opgebouwd, waardoor het land jaarlijks veel kwijt is aan rente en aflossing. Het is de corona-orkaan die het dunne laagje stuifzand heeft weggeblazen waardoor de bom aan enorme staatsschuld ter grootte van meer dan 130% van het bbp bloot kwam te liggen. Onder het mom van solidariteit en Europese eensgezindheid heeft Italië de weinig toegeeflijke houding van met name Nederland en Duitsland om financiële middelen ter beschikking te stellen aan de kaak gesteld. Maar feitelijk is er sprake van morele chantage; rijkere landen dienen mede garant te staan voor de schulden van Italië, een land dat de achterliggende jaren een onvermogen en zelfs onwil aan de dag heeft gelegd om de staatsfinanciën op orde te brengen. Italië wordt graag geholpen maar weigert redelijke voorwaarden te accepteren.

In een interview met de Britse zakenkrant Financial Times op 16 april 2020 heeft ook de Franse president Emmanuel Macron in tamelijk heftige bewoordingen uitgehaald naar noordelijke Europese landen die, naar zijn opvattingen, weinig solidariteit tonen met de landen die het zwaarst getroffen worden door het coronavirus; Italië, Spanje en Griekenland. Vanwege de door het coronavirus ontstane nieuwe situatie kunnen we niet langer op de oude voet doorgaan, maar vraagt deze crisis om een nieuwe gezamenlijke aanpak, aldus het Franse staatshoofd, waarmee hij hint op de zogenoemde eurobonds. Het klinkt erg loyaal en Europeesgezind om het voor deze andere landen op te nemen, maar in werkelijkheid profiteert ook Frankrijk van de invoering van eurobonds. Het land heeft namelijk een grote staatsschuld en een economie die dringend hervorming nodig heeft. Kortom, de loyaliteit van de Franse president ligt bij zijn eigen land, niet bij Europa. Deze houding is kenmerkend voor in het bijzonder Frankrijk en voor de Europese lidstaten in het algemeen. Lidstaten willen best Europees gezind zijn, zolang het maar ten goede komt aan het eigen land. Daar is niets mis mee, want de politici zijn immers gekozen door de eigen burgers die hun eigen belangen graag behartigd zien. Maar dat betekent wel dat de soevereiniteit hoort te liggen daar waar de loyaliteit ligt, namelijk nationaal.

In de Europese Unie is de samenwerking gericht op geld en de verhoging van de welvaart en het vormen van een economisch blok als tegenwicht voor andere economische machten, zoals de Verenigde Staten, het al maar machtiger wordende China en in toenemende mate ook India. Die economische samenwerking is dus niet onbelangrijk. Economische samenwerking maakt sterker. Wat vergeten wordt is dat de lidstaten meer zijn dan economische subjecten. Europa bestaat uit een veelheid van culturen, talen en geschiedenissen. En het zijn juist deze aspecten -die doorgaans weinig aandacht krijgen- die iemands identiteit en keuzes bepalen, en er voor zorgen dat invloed van buitenaf als ongeoorloofde inmenging wordt beschouwd. Dat is de hoofdreden dat het Verenigd Koninkrijk in 2020 de EU heeft verlaten. Een overheveling van soevereiniteit van de lidstaten naar Brussel betekent dat er veel minder ruimte overblijft om de eigen identiteit te laten gelden. En laat nu de loyaliteit van veel burgers juist bij de eigen nationale identiteit liggen. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen Noord- en Zuid-Europa, maar ook tussen Oost- en West-Europa, die allemaal te maken hebben met de verschillende (recente) geschiedenissen en culturen van landen. Een overheveling van macht naar Brussel betekent dat grote landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, een zwaar stempel zullen drukken op het beleid dat gemakkelijk ten koste kan gaan van kleinere lidstaten. Zeker bij de verdeling van gelden zal dat wrevel en spanningen opleveren. Daarom is het belangrijk dat iedere lidstaat zijn eigen zaken op orde brengt en niet bij financieel onvermogen een beroep kan doen op het budget van  andere lidstaten. Het leidt namelijk tot hulpverslaving. De prikkel om noodzakelijke hervormingen door te voeren wordt ermee weggenomen. Door de gemeenschappelijke euromunt is er sowieso al veel wederzijdse afhankelijkheid. Italië is een land dat too big to fail is; een uittreden van een grote economie als die van Italië uit de euro betekent waarschijnlijk een grote financiële en economische crisis in heel Europa. En zo ver zal niemand het willen laten komen. Zo bezien is het opbouwen van schulden een machtsinstrument. President Macron stelde in het voornoemde interview de vraag of we nu een economische Unie willen of een politieke Unie. Voor Macron was het duidelijk: een politieke. Maar wie grote  spanningen in de toekomst wil vermijden kan beter voor die andere optie kiezen.

Minister van Defensie in oorlogstijd

Met de vorming van een nieuwe regering na verkiezingen worden in een coalitiekabinet de kabinetsposten verdeeld. Daarbij wordt gekeken naar de grootte van de deelnemende coalitiepartners. Hoe meer stemmen een partij heeft behaald en dus meer Kamerzetels, des te meer ministers en staatssecretarissen zo’n partij mag leveren. In geval de verdeling tussen twee of drie coalitiepartners niet goed uitkomt omdat bijvoorbeeld de evenredigheid in gevaar komt, wordt er een extra staatssecretariaat gecreëerd. Verder speelt mee dat het ene departement meer gewicht in de schaal legt dan het andere. Onder meer de departementen van Financiën, Binnenlandse Zaken en natuurlijk vooral Algemene Zaken, wiens hoogste baas naamgever is van het kabinet,  gelden als prestigieus, want invloedrijk. Aan het ministerie van Defensie wordt veel minder gewicht toegekend, nog afgezien van het gegeven dat de laatste tientallen jaren  het budget voor de strijdkrachten alleen maar daalde en daarmee de aantrekkelijkheid van het ambt. Er is nu eenmaal geen oorlogsdreiging. Nederland is ook niet het meest strijdkrachten-gezinde land ter wereld. Voor carrièrepolitici is Defensie geen begeerlijke post, vaak een opstapje naar hopelijk iets beters. De eisen die gesteld worden aan de personen die invulling moeten gaan geven aan het ambt van minister en staatssecretaris van Defensie zijn niet specifiek. Voor het ministerie van Justitie wordt vrijwel altijd een jurist aangezocht en voor Financiën vaak een kandidaat met een economische achtergrond. Voor Defensie gelden geen (in)formele eisen. Terwijl bij serieuze militaire dreiging er heel wat van een minister van Defensie wordt gevraagd. (Dat geldt dan trouwens ook voor de minister-president bij een militair conflict). In geval van serieuze militaire dreiging zal de minister als eindverantwoordelijke enig strategisch inzicht moeten hebben om op niveau met generaals en admiraals te kunnen overleggen. Hij (of zij) zal tevens onder enorme druk moeten kunnen opereren. Fysiek en vooral mentaal kan het uiterste gevergd worden en dat voor langere tijd, en niet iedereen is daartegen opgewassen. Moeilijke politieke en militaire beslissingen kunnen vérstrekkende gevolgen hebben die gaan over leven en dood, beslissingen die verdedigd moeten worden in een parlement dat terecht kritisch is over elke gewonde of dode. Een parlement dat een informatieachterstand heeft op de minister en dat grondwettelijk eist om juist en volledig geïnformeerd te worden, maar met het oog op het geheime karakter van militaire operaties én in strijd met het politieke beginsel van de Tweede Kamer als controlerend lichaam nooit volledig geïnformeerd kan worden, vereist een manoeuvrerende bewindspersoon. Daarbij komt dat de Nederlandse politiek, op z’n minst sinds de jaren ’60 of wellicht eerder, een sterk pacifistisch karakter heeft, met name ter linkerzijde van het politieke spectrum. Een kabinet bestaande uit meerdere partijen, geconfronteerd met militaire dreiging, zal eerst intern overeenstemming moeten bereiken over de te voeren strategie. Ook de minister en staatssecretaris van Defensie kunnen van verschillende politieke partijen zijn. Daarna moet nog draagvlak gezocht worden in de Tweede Kamer, waar het kabinet in het Nederlandse dualistische stelsel geen deel van uitmaakt. Dat is een stuk lastiger dan in landen waar één regeringspartij de meerderheid heeft of de regering deel uitmaakt van het parlement of beide, zoals in het Verenigd Koninkrijk. Gebrek aan eensgezindheid betekent ook gebrek aan overtuigingskracht richting NAVO-partners, wier hulp ongetwijfeld nodig is voor een land dat met een beperkte slagkracht is aangewezen op hulp van andere landen.

Grote militaire acties of zelfs oorlog betekenen voor een minister (en staatssecretaris) oorlogvoering op meerdere fronten: niet alleen de buitenlandse vijandelijke mogendheid, maar ook de politiek. Dan hebben we het nog niet over de publieke opinie, die gevoed door vrije pers een eigen dynamiek te weeg brengt, die ook weer z’n weerslag heeft op het gekozen parlement.

Voor oorlogvoering is eensgezindheid, daadkracht en overtuigingskracht nodig. Er is een zeer sterke en veelzijdige minister van Defensie nodig om die in het Nederlandse politieke bestel te realiseren.

Boris Johnson

Juni 2019. Premier Theresa May zit te verkommeren achter de zwart gelakte paneeldeur van haar ambtswoning. In 2016 is zij na een korte verkiezingsstrijd uit de bus gekomen als de opvolger van de over Europa gestruikelde David Cameron. Het was May’s voornaamste taak het Verenigd Koninkrijk uit de EU te loodsen. Maar ook May is gestruikeld over Europa (én het Britse parlement), en nu mag de regerende Conservatieve Partij  een nieuwe leider, en dus premier, kiezen. Er zijn twee kandidaten over: Jeremy Hunt en Boris Johnson.

Jeremy Hunt is de zoon van een admiraal en heeft gestudeerd in Oxford. Daarna is hij het bedrijfsleven in gegaan. In 2005 werd hij gekozen in het parlement. Oppositieleider David Cameron nam hem op in zijn schaduwkabinet en later in zijn kabinet. Daar heeft hij diverse posten gehad, laatstelijk het ministerschap van Buitenlandse Zaken na het vertrek van Boris Johnson,  zijn huidige tegenstrever voor het premierschap. Hunt is een vriendelijk ogende, wat saaie man met ruime parlementaire en ministeriële ervaring. Maar hij zal het vermoedelijk moeten afleggen tegen zijn opponent.

Deze opponent, Boris Johnson, opgeleid aan onder meer de elitaire instituten Eton College en Oxford University, is een voormalige journalist, columnist, parlementslid, ex-burgemeester van Londen en ex-minister van Buitenlandse Zaken. Johnson is een flamboyante persoonlijkheid. Hij maakt een wat verstrooide indruk, zijn piekerige blonde haar zit altijd in de war en is nooit verlegen om scherts. Als trainee journalist bij The Times werd hij eind jaren ’80 weg gestuurd wegens zijn creatieve omgang met de feiten, die een constante zou blijken te zijn. In de jaren ‘90 werd hij correspondent in Brussel voor The Daily Telegraph. Voor deze krant schreef hij ronkende artikelen tegen de Europese Unie, ook een constante in de carrière van Johnson. In 2001 werd hij gekozen in het Parlement. Hij bleef in die periode columnist voor diverse media, waar de lezers zich tegoed konden doen aan pikante en controversiële uitspraken.  Na het vertrek van David Cameron wilde hij zich aanvankelijk kandidaat stellen voor het premierschap maar zag er noodgedwongen van af door de kandidatuur van partijgenoot Michael Gove. De nieuwe premier Theresa May nam hem op in haar kabinet als minister van Buitenlandse Zaken, waarschijnlijk om te voorkomen dat hij oppositie zou voeren vanaf de backbenches. Met name op die post zag de wereld in Johnson een onhandige en stuntelige figuur. Hij werd in die functie regelmatig herinnerd aan controversiële uitspraken in zijn artikelen en columns over personen: zo suggereerde hij in een column in The Sun dat president Barack Obama van de VS een ‘voorouderlijke  afkeer heeft van het Britse Rijk wegens diens gedeeltelijk Kenyaanse afkomst ’, die zijn houding richting het Verenigd Koninkrijk zou verklaren[1]. Tijdens een gezamenlijke persconferentie met John Kerry, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken onder Obama, werd Johnson hieraan herinnerd door een journalist. De schaapachtig lachende Johnson begon snel over actuele zaken te praten. De diplomatieke Kerry niettemin prees Johnson uitvoerig als een intelligent en bekwaam man, zo zeer dat Johnson zich geen houding wist te geven en Kerry stamelend verzocht of het iets minder kon. Waarop de ervaren Kerry hem vilein toefluisterde: ‘It’s called diplomacy Boris!’. In de voormalige kolonie Myanmar siste de Britse ambassadeur zijn baas toe dat zijn gedrag ongepast was.

Johnson lijkt een Tefal-politicus bij uitstek te zijn van wie alles afglijdt. Fact checking van zijn beweringen laat een ontluisterend beeld zien. Berucht (of beroemd, afhankelijk van iemands standpunt) is de bewering op de rode campagnebus voorafgaand aan het referendum dat 350 miljoen pond per week die nu afgedragen wordt aan de EU besteed dient te worden aan de NHS, het gezondheidszorgstelsel dat even geliefd is bij de Britten als de EU gehaat. Maar de hoon die hem ten deel viel voor deze fictieve cijfers vanuit de oppositie en zelfs vanuit zijn eigen partij deert hem niet, wetende dat hij er niet op afgerekend wordt. Hij blijft onverminderd populair bij een groot deel van de Conservatieve achterban. Johnson voelt feilloos aan wat de kiezer wil horen en weet dat op aansprekende manier bij de kiezer te brengen. Niet dat het uittreden uit de EU niet een verdedigbare opvatting kan zijn. Integendeel, maar Johnson heeft er geen feiten en argumenten voor nodig.

Uit het oogpunt van goed openbaar bestuur is dit opmerkelijk. Want hoe komt het dat een kandidaat die zich niet gelegen laat liggen aan feiten, zijn dossiers onvoldoende kent, lui is, verkiezingsbeloften doet die hij onmogelijk waar kan maken, politieke leiders persoonlijk beledigt enzovoorts, toch de steun krijgt van een aanzienlijk deel van de bevolking? Ongetwijfeld heeft dat ook te maken met de onvrede bij de achterban over issues waar politici te weinig aandacht aan besteden. Zoals in de rest van Europa was de grote instroom van immigranten al lange tijd een doorn in het oog van veel Britten. Johnson heeft daar handig op ingespeeld voorafgaand aan het referendum en heeft de EU daarvan de schuld gegeven. Hij is, zoals eerder gezegd, altijd een fervente euroscepticus geweest. In dat opzicht heeft hij een duidelijk profiel, meer dan de op dit punt ambivalente Hunt. Zijn euroscepsis sluit goed aan bij het, niet in het minst door hemzelf in zijn talloze columns en artikelen gecreëerde, anti-Europese sentiment bij de Britse bevolking. Verder is de bepaald niet monogame tweemaal gescheiden Johnson losjes ten aanzien van conservatieve christelijke waarden, iets wat in het sterk geseculariseerde Engeland niet meer een probleem is. Wat ethische zaken betreft past hij in veel opzichten beter bij de Liberalen. Zijn benadering van de dingen is opportunistisch en hij verandert van standpunt als dat zijn carrière ten goede komt. Toen Theresa May haar partij beloofde dat zij zou opstappen als de partij zou instemmen met haar Brexit-deal beloofde Johnson vóór te stemmen, terwijl hij steeds mordicus tegen elke deal van May had gestemd. Een aftreden van May betekende leiderschapsverkiezingen en vergrootte immers zijn kans op het premierschap.

In een democratie kan een kandidaat zo ver gaan als de kiezer toestaat, en in het VK, althans in zijn eigen partij, is weinig oog voor het onvermogen van Johnson de vele uitdagingen het hoofd te bieden. Het kan niet anders dan dat de Britse burger grote teleurstellingen te verwerken zal krijgen, die het vertrouwen in de politiek zullen schaden. Reken daarbij dat reeds vele Britten toch al niet veel fiducie hebben in Westminster, met name zij die behoren tot de zgn. working class, waarvan een deel in het geheel niet werkt en leeft in tamelijk armoedige omstandigheden. Het fenomeen Johnson staat trouwens niet op zichzelf. Ook op het Europese continent verschijnen populistische personen ten politieke tonele met veelbelovende  ideeën, zonder feiten en een dosis realisme daarbij nodig denken te hebben. Vaak spelen nationalistische motieven een rol. Zoals ook bij Johnson, alhoewel hijzelf, met zijn gevarieerde (deels continentale) afkomst,  vermoedelijk geen vreemdelingenhater is of zelfs een nationalist, hoogstens een patriot. De kiezer weet het in ieder geval wel te waarderen.

Democratie is een middel om draagvlak te creëren en om machtsmisbruik en tirannie te voorkomen. Democratie is geen waarheidsvinding. In een democratie kan gemanipuleerd worden, zoals dat ook met andere, meer autoritaire regeringsvormen kan. Het verschil is dat in een democratie het electoraat zelf de keuze kan maken. Gaat het mis met die keuze, dan is behalve de kandidaat ook de kiezer zelf verantwoordelijk voor het falen van de overheid – die dat overigens zelden zo beleeft. Ongetwijfeld is er op gevestigde partijen soms flinke kritiek uit te oefenen. Of personen danwel partijen met een populistische signatuur de problemen de baas kunnen die volgens hen anderen laten liggen is de vraag. Voormalig minister en vicepresident van de Raad van State Piet Hein Donner zou zeggen: laat hen zo snel mogelijk regeren. Maar hij bedoelde: ze komen er wel achter dat de bestuurlijke werkelijkheid een stuk weerbarstiger is dan men denkt. Maar voordat men erachter komt zijn we zo een paar jaar verder.


[1] The Independent: 22 april 2016

Defensie en economie

This is an example post, originally published as part of Blogging University. Enroll in one of our ten programs, and start your blog right.

You’re going to publish a post today. Don’t worry about how your blog looks. Don’t worry if you haven’t given it a name yet, or you’re feeling overwhelmed. Just click the “New Post” button, and tell us why you’re here.

Why do this?

  • Because it gives new readers context. What are you about? Why should they read your blog?
  • Because it will help you focus you own ideas about your blog and what you’d like to do with it.

The post can be short or long, a personal intro to your life or a bloggy mission statement, a manifesto for the future or a simple outline of your the types of things you hope to publish.

To help you get started, here are a few questions:

  • Why are you blogging publicly, rather than keeping a personal journal?
  • What topics do you think you’ll write about?
  • Who would you love to connect with via your blog?
  • If you blog successfully throughout the next year, what would you hope to have accomplished?

You’re not locked into any of this; one of the wonderful things about blogs is how they constantly evolve as we learn, grow, and interact with one another — but it’s good to know where and why you started, and articulating your goals may just give you a few other post ideas.

Can’t think how to get started? Just write the first thing that pops into your head. Anne Lamott, author of a book on writing we love, says that you need to give yourself permission to write a “crappy first draft”. Anne makes a great point — just start writing, and worry about editing it later.

When you’re ready to publish, give your post three to five tags that describe your blog’s focus — writing, photography, fiction, parenting, food, cars, movies, sports, whatever. These tags will help others who care about your topics find you in the Reader. Make sure one of the tags is “zerotohero,” so other new bloggers can find you, too.